NL | EN

Historiek

plateau
De Rijksuniversiteit Gent werd in 1817 gesticht. Vanaf 1835 organiseerde de Faculteit van de Wetenschappen het onderwijs in Arts et Manufactures, l’Architecture Civile, les Ponts et Chaussées. In 1957 werd dit instituut omgevormd tot de Faculteit van de Toegepaste Wetenschappen, met een afdeling Civiel Ingenieurs Architecten. De opleiding tot burgerlijk ingenieur-architect liep tijdens de eerste twee jaren (de kandidaturen) nog gelijk op met de algemene opleiding tot burgerlijk ingenieur. De eigenlijke opleiding tot architect vond plaats tijdens de laatste drie jaren (de proeven). Halfweg de jaren zeventig werd de opleiding een eerste keer hervormd, en werd het vak architectuurontwerpen geïntroduceerd in het eerste jaar van de kandidaturen.

In oktober 1988 werd gestart met een tweede architectuuropleiding, georganiseerd door de afdeling Architectuur en Stedenbouw, die de studie-inspanning gelijk verdeelde over drie pijlers (architectuurtheorie en –geschiedenis, ontwerp en bouwtechniek): de Licentie Architectuur. De concrete aanleiding was het feit dat de architectuuropleiding aan de Gentse Academie werd afgeschaft in het kader van een rationalisatieproces van het architectuuronderwijs in Vlaanderen. Tijdens het eerste jaar van de nieuwe opleiding studeerden 45 studenten af. De vakgroep stond onder leiding van Firmin Mees, die later werd opgevolgd door Charles Vermeersch, Emiel De Kooning, Bart Verschaffel, Pieter Uyttenhove en sinds 2014 door huidig vakgroepvoorzitter Arnold Janssens.

De opleiding tot burgerlijk ingenieur-architect is, sinds de hervorming in 1988, elk nieuw academiejaar gestart met een hoger studentenaantal. In het academiejaar 2008-2009 vatten maar liefst 220 studenten het eerste jaar aan.
Ook de onderzoeksactiviteiten namen jaar na jaar toe. Afgestudeerde ingenieur-architecten ontwikkelden zich tot een nieuwe generatie toonaangevende Belgische ontwerpers. Talloze binnen- en buitenlandse architecten, critici, historici en ingenieurs gaven les aan de vakgroep. De publicaties en het onderzoek gaven op een belangrijke manier mee gestalte aan de groei van een architectuurcultuur in België en Europa, ook door de medewerking aan tentoonstellingen. De verschillende onderzoekseenheden ontwikkelden evenzeer een internationaal academisch netwerk, wat onder meer resulteerde in de organisatie van talrijke symposia en de publicatie van artikelen, monografieën en referentiewerken.